Het verhaal over het gemaal in Oudenrijn is het verhaal van de jeugd van mijn vader. Toen ik klein was, zei hij altijd als we op een bepaald punt op de snelweg waren: ‘Hier ben ik geboren. Maar ons huis bestaat niet meer.’ We waren dan op of rond verkeersplein Oudenrijn. Mijn vader is inmiddels al heel lang overleden – in 1993 al – en ik kan hem niets meer vragen over vroeger. In gesprekken met familieleden die nog leven en in het archief kwam ik iets meer te weten.

Geschilderde afbeelding van het gemaal aan de Taatsendijk door Gerrit Gerssen (1911). 

Gemaal aan de Taatsendijk, geschilderd door mijn opa Gerrit Gerssen.

 

Mijn vader werd in 1943 geboren in het buurtschap Oudenrijn, aan de Taatsendijk nummer 10, het huis naast het gemaal. De Taatsendijk was bijna 5 km en lag op de grens van de polders Oudenrijn en Heycop aan de ene kant en de polders Papendorp en Galecop aan de andere.

Eeuwenlang zorgden molens voor de bemaling van de polders. In 1880 nam het stoomgemaal aan de Taatsendijk deze bemaling over. Rond 1914 kreeg het gemaal ook een elektrische pomp. Zowel mijn overgrootvader als mijn opa waren machinist op dit gemaal.

Gemaal in de familie

Mijn overgrootvader Ambrosius van den Ham was eerst machinist van dit gemaal, vanaf 1922.

Mijn opa Gerrit Gerssen, zijn schoonzoon, nam het stokje over in 1942. Het verhaal in de familie gaat dat dit de manier was om niet naar Duitsland gestuurd te worden in de oorlog. Anders dan zijn schoonvader was mijn opa geen machinist, maar timmerman. Zijn vrouw – mijn oma dus – en kinderen namen dan ook een deel van het werk op het gemaal voor hun rekening. Het werk op een gemaal was overig heel interessant en ook bewerkelijk. Dit was de reden dat het woonhuis van een machinist dichtbij een gemaal moest staan.

Mijn opa kreeg een vaste aanstelling en zou tot zijn pensioen machinist blijven. Eerst van het gemaal in Oudenrijn, later van een nieuw elektrisch gemaal in Jutphaas; in de volksmond werd dit gemaal het Gemaal van Gerssen genoemd. Dat gemaal staat er nog, aan het Papendorpsepad.

Gemaal Heycop – jeugd

Het gezin bestond uit vader en moeder, twee zoons en vier dochters. Van mijn vaders gezin is nog een zus, mijn tante, in leven. Ze vertelde dat ze de machines weleens moest oliën. Mijn oma, en ook soms een van de kinderen, moest regelmatig ’s nachts haar bed uit om ruig te verwijderen uit de krooshekken.

Maar wat ik ook hoorde is hoe het gezin zwemles van mijn opa kreeg in de Taatschen Vliet. Een opgerolde handdoek om hun buik, aan een lange stok. Naar school in de winter was uren lopen. Op zich zijn het kleine, warme – en soms minder warme – verhalen die overal voorkwamen en op zich niet verschillen van veel andere verhalen. De mooiste is misschien wel dat er tijdens de afwas muziek werd gemaakt en gezongen.

 

Gemaal op Topotijdreis

Met de uitbreiding van het verkeersknooppunt Oudenrijn verdween zoals gezegd het gemaal. In de jaren 1930 werd gewerkt aan de aanleg van de snelwegen A12 en A2 en de verkeersrotonde Oudenrijn, die later zou uitgroeien tot knooppunt Oudenrijn. Kijken naar de aanleg daarvan was voor de kinderen Gerssen een avontuur, maar het betekende ook een eind van het huis waar ze opgroeiden. In 1967 werd het klaverblad in gebruik genomen; het gezin was toen al verhuisd.

Een blik op Topotijdreiseen soort tijdreisapp, met als zoekterm ‘Taatsendijk Utrecht’, laat zien dat er nog geen gemaal was in 1880. In 1886 staat het gemaal er wel, en in 1950 ligt het verkeersplein naast het gemaal. Weer 20 jaar later is alles rond het gemaal verdwenen.

Overigens: de Taatsendijk bestaat nog wel. Er staat zelfs nog een boerderij van zo’n 100 jaar oud.

Wat in het hart zit…

Het beroep van mijn opa is altijd bij hem gebleven. In 1998 kreeg ik een brief van hem. Hij woonde toen als weduwnaar aan de Lekdijk in Nieuwegein. Hij schreef:

‘De rivier de Lek lijkt wel een zee! De uiterwaarden staan vol. Gelukkig behoef ik niet meer te malen.’

Ida G.M. Gerhardt schreef overigens een gedicht over een bezoek aan een gemaal waar haar vader waterstanden moest aflezen. Ik hoop dat de magie die hieruit spreekt enigszins raakt aan de kindertijd van mijn vader en zijn broers en zussen.

Gemaal: dat is je vader horen noemen die vreemde woorden van een andere taal als hij de waterstand leest van de schaal; te ademen in het onbenoembaar zoemen.